27.11.2018, 10:57
II
En ied're morgen weer, als aan de witte wanden
van mijn verlaten cel wat zonne-schampen beven,
rijs ik ter legerstede uit en mijn verbleekte handen
zijn, Moeder, naar uw schoon gelaat geheven.
De nacht heeft enkel mij dit vreemd gebed gegeven,
dat door de jaren, die naar d' avond-stranden
des doods verdeinen doen mijn schemer-lichte leven,
ik moge staan zeer sterk in uwe heil'ge branden.
Maar o, het lijkt wel of daarbuiten in de boomen,
wier rijke bloesems aan mijn venster neigen,
of daar het leven als in duizend voog'len-zangen
zingt door de lentelijke lucht,... en goede droomen
waren langs de avondlijke paden. O, mijn verlangen,
dat ge toch éénmaal nog moogt zwijgen!
En ied're morgen weer, als aan de witte wanden
van mijn verlaten cel wat zonne-schampen beven,
rijs ik ter legerstede uit en mijn verbleekte handen
zijn, Moeder, naar uw schoon gelaat geheven.
De nacht heeft enkel mij dit vreemd gebed gegeven,
dat door de jaren, die naar d' avond-stranden
des doods verdeinen doen mijn schemer-lichte leven,
ik moge staan zeer sterk in uwe heil'ge branden.
Maar o, het lijkt wel of daarbuiten in de boomen,
wier rijke bloesems aan mijn venster neigen,
of daar het leven als in duizend voog'len-zangen
zingt door de lentelijke lucht,... en goede droomen
waren langs de avondlijke paden. O, mijn verlangen,
dat ge toch éénmaal nog moogt zwijgen!

