31.07.2012, 21:36
Levensreize.
1.
Mijn waan verblindde me als een kindje op reis,
Dat zacht den wand met zwakke handjes duwt,
In 't blij geloof dat hij den wagen stuwt
Naar 't blauwe en gouden weeldeparadijs,
Waar 't blanke lam den blonden leeuw niet schuwt,
Waar vreemde rozen kweelen vogelwijs,
Waar de Englen spelen, elk naar eigen eisch,
In gloriekleed en eeuw'ge meieluwt.
Zoo meende ik eens te sturen wat mij draagt,
Het Leven zelf. Mijn Vader brak mijn trots.
Toen wachtte ik stil, door Wijsheid kil verlaagd,
Waar 't snelle raderwentelen des Lots
Mij heenbrengt..... velen heb ik 't al gevraagd,
Elk antwoordde anders - en 't geheim bleef Gods.
2.
Zacht lacht de Moeder, zij die 't kindje zong
In slaap met zang van paradijzedroom,
Om Vaders koel verklaren hoe de stoom
't Vervaarlijk zwaar gevaarte al voorwaarts drong
Naar 't mooi Beloofde Land vol hoon'g en room.
Hij troost het kind met ooft, dat hij zich dong
In 't marktgewoel, doch Moeder zingt: ‘Blijf jong!’
En sterren vonklen, zilv'r in d' avonddoom.
Ik eet gedwee het vleesch der vrucht, bewaard
Heb ik de kernen, werp ze 't venster uit,
Vertrouw ze toe de milde moederaard.
Zoo zaai ik boomen, rood van purperfruit
Wanneer ik weerkeer... Hol in dolle vaart
Maar voort, o spoor! straks bloeit de baan als bruid.
3.
Nooit keer ik weder langs dezelfde baan.
Nooit zal ik zien, verrezen uit een pit,
Die 'k achtloos strooide, een boom belofte-wit.
En Vaders woorden laten me onvoldaan.
'k Geloof niet meer aan Moeders sprookje.... is dit
De ware weg naar de eeuw'ge lelielaan? -
O de engelharpe' in 't suizelen der blaân!
O 't heeml-aroom rondom een ziel die bidt!
Nu toef ik stil, te groot voor kinderspel,
Te moe voor werk, te droef voor zegening,
Die Vader eischt: hij brak mijn vrees voor hel
En vagevuur, die booze tooverkring.
De raadren rollen, Vader! 'k nader snel
De Doode Zee van ziel-vernietiging.
1.
Mijn waan verblindde me als een kindje op reis,
Dat zacht den wand met zwakke handjes duwt,
In 't blij geloof dat hij den wagen stuwt
Naar 't blauwe en gouden weeldeparadijs,
Waar 't blanke lam den blonden leeuw niet schuwt,
Waar vreemde rozen kweelen vogelwijs,
Waar de Englen spelen, elk naar eigen eisch,
In gloriekleed en eeuw'ge meieluwt.
Zoo meende ik eens te sturen wat mij draagt,
Het Leven zelf. Mijn Vader brak mijn trots.
Toen wachtte ik stil, door Wijsheid kil verlaagd,
Waar 't snelle raderwentelen des Lots
Mij heenbrengt..... velen heb ik 't al gevraagd,
Elk antwoordde anders - en 't geheim bleef Gods.
2.
Zacht lacht de Moeder, zij die 't kindje zong
In slaap met zang van paradijzedroom,
Om Vaders koel verklaren hoe de stoom
't Vervaarlijk zwaar gevaarte al voorwaarts drong
Naar 't mooi Beloofde Land vol hoon'g en room.
Hij troost het kind met ooft, dat hij zich dong
In 't marktgewoel, doch Moeder zingt: ‘Blijf jong!’
En sterren vonklen, zilv'r in d' avonddoom.
Ik eet gedwee het vleesch der vrucht, bewaard
Heb ik de kernen, werp ze 't venster uit,
Vertrouw ze toe de milde moederaard.
Zoo zaai ik boomen, rood van purperfruit
Wanneer ik weerkeer... Hol in dolle vaart
Maar voort, o spoor! straks bloeit de baan als bruid.
3.
Nooit keer ik weder langs dezelfde baan.
Nooit zal ik zien, verrezen uit een pit,
Die 'k achtloos strooide, een boom belofte-wit.
En Vaders woorden laten me onvoldaan.
'k Geloof niet meer aan Moeders sprookje.... is dit
De ware weg naar de eeuw'ge lelielaan? -
O de engelharpe' in 't suizelen der blaân!
O 't heeml-aroom rondom een ziel die bidt!
Nu toef ik stil, te groot voor kinderspel,
Te moe voor werk, te droef voor zegening,
Die Vader eischt: hij brak mijn vrees voor hel
En vagevuur, die booze tooverkring.
De raadren rollen, Vader! 'k nader snel
De Doode Zee van ziel-vernietiging.