Sonett-Forum

Normale Version: Looy, Jacobus van: Bij twee duchesses d'Angoulême (2)
Du siehst gerade eine vereinfachte Darstellung unserer Inhalte. Normale Ansicht mit richtiger Formatierung.
Jacobus van Looy
1855 - 1930 Niederlande


Bij twee duchesses d'Angoulême,
twee van de zeven peren,
gewonnen ten onzent in het jaar onzes Heeren
MCMXV.


Voor August Allebé.



I

Virgilius-vliegen, snelle Atalanten,

En 't Vosje, kleurger nog dan welkend loof,

En daggedrager Wesp, geel, fel op roof,

En 't ruige hommelvolk, de drukke klanten;

Al wat er wordt gerekend tot de santen,

Al wat voor straffe redenen bleef doof,

Wat zinde of puurde of streefde in noest gesloof,

Het ga ons voor en diene tot gezanten.

Doch waar een heuschelijker taal moet zijn,

Waar sprake is van mond en zoeter stemme,

Van lokking, paradijs-ooft, schoone leest,

Vertrouwen wij ons zelf het allermeest:

Hertoginnen zijn wij van Angoulême

Beneden breedachtig, van boven fijn.

[p. 97]
II

Wanneer de tijd er is waarin de voeten

Het haardvuur zoeken en de sprokkelingen,

De tijd er is waarin herinneringen

De plaats vervangen van gevoelens moeten;

Wanneer de nagloed der verdroomde dingen

Werd als gewolk, als d' amouretten-stoeten

Die kennersoogen, snufflaars soms ontmoeten

Op schoorsteenstukken in oude huizingen.

Als 't leven is wanheerlijker dan ooit

En zelf verbrijzelt wat het heeft vermooid,

Waarvan 't verhalen spookt uit iedre krant,

Dan kan 't geen kwaad toch als bevriende hand

Op fruitschaal, schoorsteen of de lambrizeer,

Plomp maar welmeenend zet een góede peer.